Patriottisme terugclaimen: over socialistische liefde voor land en volk
Waarom de marxistisch-leninistische traditie geen antipatriottisch project is, en wat een socialistisch pleidooi voor nationale zelfstandigheid zou kunnen betekenen in Nederland
Publicatie: april 2026
I. Inleiding
Onder socialisten in het Westen bestaat een wijdverbreide aversie tegen alles wat naar patriottisme ruikt. Die aversie is begrijpelijk. Patriottische symboliek wordt in Nederland vooral geassocieerd met Forum voor Democratie, PVV en JA21, met vlagvertoon en met anti-immigrantenretoriek. Links ziet bij het woord “vaderland” vooral de schaduw van nationalistisch geweld, een koloniaal verleden, en hedendaagse uitsluiting.
Het is vrij logisch dat een deel van links patriottisme daarom volledig afwijst en in plaats daarvan een positie inneemt die door sommige Amerikaanse auteurs wel national nihilism wordt genoemd. Elke affectieve band met het eigen land wordt verdacht gemaakt. De Nederlandse geschiedenis bestaat dan uitsluitend uit VOC-geweld, politionele acties in Nederlands-Indië en de medewerking aan de Jodenvervolging. Positieve tradities die óók bij Nederland horen, zoals de arbeidersbeweging, de strijd tegen fascisme, de vakbonden, Domela Nieuwenhuis, Henriëtte Roland Holst of de Spoorwegstaking, blijven systematisch onderbelicht.
Dit artikel stelt een andere mogelijkheid voor: dat de marxistisch-leninistische traditie in werkelijkheid een eigen, uitgesproken patriottisch karakter kent, en dat het juist strategisch onverstandig is om patriottisme volledig aan rechts over te laten. Daarnaast bestaat er een concreet hedendaags argument dat vanuit een socialistisch perspectief bij uitstek patriottisch is: het pleidooi voor nationale zelfstandigheid tegenover de Amerikaanse hegemonie.
II. Patriottisme versus nationalisme
Het eerste probleem in deze discussie is een definitieprobleem. Rechts mengt patriottisme en nationalisme systematisch dooreen. Links neemt die vermenging vaak klakkeloos over, en wijst vervolgens beide tegelijk af.
Er is echter een zinvol analytisch onderscheid. Patriottisme is de loyaliteit aan een volk, een gemeenschap en een gedeeld bestaan. Nationalisme is een loyaliteit aan de staat en, in zijn burgerlijke vorm, aan de heersende klasse die die staat beheert. Wie aan Nederland denkt als een lappendeken van mensen die samen wonen en werken, die een taal delen en een geschiedenis, bedrijft patriottisme. Wie Nederland identificeert met de koning, met De Nederlandsche Bank, met het militaire apparaat en met de “onderhandelingspositie” van de Nederlandse economie op de wereldmarkt, bedrijft nationalisme.
De Amerikaanse auteur Kayla Popuchet wijst er terecht op dat het burgerlijke nationalisme precies doet alsof het patriottisme is: het vraagt loyaliteit aan de troepen, aan de vlag, aan de politie. Maar nooit aan je buren, je collega’s of je klasse [1]. In Nederland zien we een vergelijkbaar patroon: de oranjekoorts rond Koningsdag heeft niets te maken met solidariteit met gewone Nederlanders, en alles met het in stand houden van een instituut waarvan een vermogende klasse profiteert.
Het onderscheid tussen patriottisme en nationalisme is niet nieuw en ook niet uitgevonden door hedendaagse linkse Amerikanen. Lenin formuleerde het al in 1914 in zijn artikel Over de nationale trots van de Groot-Russen. Terwijl het tsarenrijk oorlogen voerde en als “volkerengevangenis” optrad, verklaarde Lenin dat de socialistische arbeiders hun eigen taal en land wél degelijk liefhadden, en dat het hun pijn deed hun land onder het juk van tsaren, adel en kapitalisten te zien [2]. De chauvinistische trots van het regime en de nationale trots van de arbeider zijn twee verschillende dingen.
III. De marxistisch-leninistische traditie is patriottisch
Waar de Eerste Internationale de kreet “De arbeiders hebben geen vaderland” poneerde, begrepen latere marxisten-leninisten dat dit een halve waarheid was. Onder het kapitalisme zijn de arbeiders inderdaad ontdaan van zeggenschap over hun eigen land. Maar juist de socialistische revolutie brengt de arbeiders voor het eerst in de geschiedenis in de positie om het land daadwerkelijk hun land te maken.
Fidel Castro vatte dit in 1976 bondig samen:
“Marxism-Leninism is ultimately deeply internationalist and, at the same time, deeply patriotic” [3]
Voor Castro was er geen spanning tussen solidariteit met de onderdrukte volkeren van Afrika, Azië en Latijns-Amerika, en een onvoorwaardelijke liefde voor Cuba als land. Integendeel. Cubaanse patriotten waren internationalisten juist omdat zij hun eigen volk kenden en liefhadden, en daarom begrepen wat onderdrukking voor een volk betekent.
Kim Il Sung formuleerde iets vergelijkbaars in een interview met de Peruaanse krant Expreso in 1974. Hij stelde dat een echte communist ook de beste patriot is, en dat iemand die zijn land en volk niet liefheeft, geen ware communist kan zijn [4]. De redenering is dat wie zijn volk niet liefheeft, geen reden heeft om voor socialisme te vechten. Socialisme is immers geen abstract filosofisch stelsel maar een concreet project van bevrijding voor concrete mensen.
Ho Chi Minh, misschien de meest succesvolle Aziatische marxist-leninist van de twintigste eeuw, zag zijn hele strijd tegen het Franse kolonialisme en de Amerikaanse oorlog als een patriottische aangelegenheid. De Amerikaanse auteur Edward Liger Smith wijst erop dat anti-koloniale socialistische bewegingen zoals de Viet Minh zich verzamelden rond nationalistische idealen als zelfbeschikking en economische zelfvoorziening [5]. In de leescontext van het Globale Zuiden vond niemand dit controversieel. Waarom zou het in Nederland anders zijn?
Ook in de Nederlandse arbeidersgeschiedenis is er rijk materiaal. De Spoorwegstaking van september 1944, de Februaristaking van 1941, de communistische betrokkenheid bij het verzet, en de vakbondsstrijd voor de achturige werkdag: dit is allemaal Nederlandse geschiedenis, en dit is allemaal progressief. Een socialist die beweert geen band met Nederland te hebben, geeft in de praktijk die geschiedenis weg aan mensen die er historisch gezien nooit deel aan hadden.
IV. Waar Nederland trots op kan zijn
Een socialistisch patriottisme heeft inhoud nodig. Het moet kunnen wijzen op concrete dingen waar het Nederlandse volk daadwerkelijk een progressieve bijdrage heeft geleverd aan de wereld, los van de koloniale machtsuitoefening die rechts zo graag tot kern van “onze” geschiedenis maakt. Die dingen bestaan, en ze zijn talrijker dan het oranje-en-VOC-narratief suggereert.
Begin bij de filosofie en wetenschap. Spinoza, geboren in Amsterdam, schreef een ethiek waarin God en natuur samenvallen, en daarmee een fundament voor seculier denken dat eeuwen vooruitliep op zijn tijd. Erasmus van Rotterdam stond aan het begin van het humanisme. Christiaan Huygens ontdekte de ringen van Saturnus en formuleerde de golftheorie van het licht. Hans Lipperhey vond de telescoop uit, Antonie van Leeuwenhoek de microscoop. Wie naar de wereld kijkt, doet dat letterlijk door Nederlandse lenzen. Latere Nederlandse uitvindingen omvatten de onderzeeboot, de brandweerslang, de Snellenkaart voor oogtesten, vierwielaandrijving, het cassettebandje, de cd, Wi-Fi en Bluetooth. Veel van wat de moderne wereld op afstand laat communiceren, is in Nederland bedacht.
Op het gebied van de kunsten is de Nederlandse bijdrage simpelweg onevenredig groot voor zo’n klein land. Hieronymus Bosch, Rembrandt, Vermeer, Van Gogh: vier namen die in elk wereldoverzicht van de schilderkunst voorkomen. De Nachtwacht geldt na de Mona Lisa als een van de meest invloedrijke schilderijen ooit gemaakt. Daarnaast bestaat er een rijke Nederlandstalige literatuur die buiten ons taalgebied vooral onbekend blijft door de vertaalbarrière, niet door gebrek aan kwaliteit.
In de meer recente politieke geschiedenis kunnen we wijzen op concrete progressieve daden die voortkwamen uit Nederlandse maatschappelijke strijd. Nederland was in 2001 het eerste land ter wereld dat het huwelijk openstelde voor paren van gelijk geslacht. Dat was geen geschenk van bovenaf, maar het resultaat van decennia organisatie door de COC en bondgenoten. Het effect was wereldwijd: Nederland baande hier een weg waar inmiddels meer dan dertig landen op gevolgd zijn.
Ook de dekolonisatie van Suriname in 1975 verdient nuance. De Nederlandse koloniale geschiedenis, met haar slavernij in Suriname en op de Antillen, met de “politionele acties” in Indonesië, met de Bersiap, is en blijft donker. Maar de overdracht van soevereiniteit aan Suriname verliep, anders dan in Algerije, Vietnam of zoveel andere koloniale conflicten van de twintigste eeuw, zonder oorlog. Dat was te danken aan druk van onderop, zowel in Suriname als in Nederland zelf, waar progressieve bewegingen, vakbonden en kerken jarenlang campagne voerden tegen het kolonialisme. Op het wereldtoneel is een dekolonisatie zonder grootschalig bloedvergieten een uitzondering, en daar mag de Nederlandse arbeidersbeweging die er druk op uitoefende met enige tevredenheid op terugkijken.
Verder is er, zoals in sectie III genoemd, de Nederlandse arbeiderstraditie zelf: Domela Nieuwenhuis als eerste socialist in de Tweede Kamer, Henriëtte Roland Holst als dichter en revolutionair, de Februaristaking van 1941 als enige open massaprotest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa, de Spoorwegstaking, de strijd voor de achturige werkdag, voor algemeen kiesrecht en voor de verzorgingsstaat. Dit is geschiedenis waar iedere socialist trots op kan zijn, en die letterlijk is opgebouwd op grond die wij dagelijks bewandelen.
Dit overzicht is niet bedoeld als een patriottisch lijstje om mee te pronken, en het maakt de zwarte bladzijden uit hoofdstuk III geenszins ongedaan. Het illustreert iets anders: dat het Nederlandse volk, los van zijn heersende klassen, in elke generatie iets heeft voortgebracht dat er werkelijk toe deed. Wie van Nederland houdt zonder het VOC-narratief over te nemen, heeft méér dan genoeg om die liefde mee te voeden.
V. Het Ierse voorbeeld: patriottisme zonder chauvinisme
Geen enkele Westerse linkse traditie heeft het samengaan van socialisme en patriottisme zo consequent uitgewerkt als de Ierse. Ierland is een land dat zijn onafhankelijkheid aan een bevrijdingsstrijd tegen een grote imperialistische buur dankt, en waarin socialisten van meet af aan een prominente rol speelden. James Connolly, die in 1896 de Ierse Socialistische Republikeinse Partij oprichtte en in 1916 werd geëxecuteerd na zijn deelname aan de Paasopstand, wist socialisme en nationale zelfbeschikking naadloos te combineren. In zijn hoofdwerk Labour in Irish History betoogde hij dat de Ierse arbeidersklasse de enige kracht is die de nationale bevrijding werkelijk kan voltooien, en omgekeerd was nationale bevrijding voor hem een voorwaarde voor socialisme [6].
Lenin zag in de Paasopstand geen burgerlijk-nationalistische oprisping maar een klap tegen het Britse imperialisme [7]. Antonio Gramsci noemde de Ierse onafhankelijkheidsstrijders “groene bolsjewieken” [8]. Wat Britse sociaaldemocraten als achterhaald nationalistisch romantisme afdeden, herkenden de grote marxisten van hun tijd als iets anders: een concreet moment in de wereldwijde strijd tegen het imperialisme.
De Communistische Partij van Ierland, heropgericht in 1970 in haar huidige vorm, voert als ondertitel drie woorden: *Partizaans, Patriottisch, Internationalistisch* [9]. Deze begrippen vormen in de Ierse ML-traditie geen tegenstelling maar een dialectische eenheid. Men kan pas werkelijk internationalist zijn als men weet van waaruit men spreekt. Men kan pas werkelijk patriot zijn als men het belang van de eigen werkende klasse voorop plaatst. En men kan pas werkelijk partizaans zijn als men bereid is zich aan een kant te scharen, ook wanneer dat onpopulair is.
Sean Murray, algemeen secretaris van de CPI van 1933 tot 1941, vatte de kwestie kernachtig samen. Tegen socialisten die de “nationale kwestie” voor irrelevant of als exclusief burgerlijk hielden, stelde hij:
“Je mag de nationale kwestie negeren, maar de nationale kwestie zal jou niet negeren” [10]
Het punt is materieel. Een volk dat onderdrukt wordt door een ander land, of dat zijn economische infrastructuur niet in eigen hand heeft, kan zijn klassentegenstellingen niet op eigen houtje oplossen. De Ierse vraag naar hereniging met Noord-Ierland en de strijd tegen Britse imperiale invloed gingen voor de CPI dus onlosmakelijk samen met klassenstrijd.
Deze gedachtengang wordt in de Ierse communistische traditie vaak op de volgende manier uitgedrukt: de Russen vochten tegen Hitler voor hun moederland. De Chinezen vochten tegen de Japanse bezetter voor hun land. En de Ierse republikeinen vochten voor Ierland. In alle drie de gevallen was de strijd tegelijkertijd nationaal en internationaal: anti-fascistisch, anti-imperialistisch én klassegebonden. De mensen die deze oorlogen voerden, hielden van hun land. Zij vochten niet voor een abstract principe, maar voor concrete gemeenschappen, dorpen, talen en geschiedenissen. Precies dáárdoor werd hun strijd wereldhistorisch relevant.
Belangrijk aan de Ierse traditie is ook wat zij niet is. Het Ierse socialistisch republicanisme verheerlijkt niet de hele Ierse geschiedenis. Het is kritisch over de reactionaire rol van de katholieke kerk, over de fascistische Blueshirts in de jaren dertig, over sektarische verdeeldheid, en over Ierse kapitalisten die van Britse overheersing en van partitie geprofiteerd hebben. Michael O’Riordan, algemeen secretaris van de CPI van 1983 tot 1989, vocht in de Spaanse Burgeroorlog tegen de Blueshirts van zijn eigen land. Hij erkende daarmee expliciet dat niet alles wat Iers is automatisch progressief is [11].
Dit is de cruciale guardrail voor elke socialistische variant van patriottisme. Men houdt van een volk, maar men ontkent niet de misdaden die in naam van dat volk zijn gepleegd. Men koestert de progressieve tradities, maar men verheerlijkt geen koloniale bestuurders, slavenhandelaren of architecten van de Bersiap-periode. Men waardeert de Nederlandse arbeidersbeweging, maar men liegt niet over VOC-monopolies, over slavernij in Suriname en op de Antillen, over politionele acties in Indonesië, of over de willige meehulp aan de Jodenvervolging. Een patriottisme dat de duistere bladzijden van de eigen geschiedenis goedpraat, is niet socialistisch maar reactionair.
Wat socialistisch patriottisme wél doet, is die geschiedenis volledig, met licht én schaduw, erkennen als onze geschiedenis, en op basis daarvan bepalen welke tradities voortgezet moeten worden en welke definitief moeten worden gebroken. De Ieren hebben daar ruim een eeuw ervaring mee. Nederland kan daarvan leren.
VI. De valkuil van het nationaal-nihilisme
Voor wie consequent is in het afwijzen van elke vorm van patriottisme, wacht een politiek probleem. De arbeidersklasse in Nederland is niet kosmopolitisch in de zin die een deel van links dat wel is. Voor de meeste mensen is de plaats waar ze wonen, de gemeenschap waartoe ze behoren, en de taal die ze spreken, niet iets wat ze afwerpen zodra ze een klassenbewust inzicht krijgen. Ze blijven van hun wijk, hun dorp, hun streek houden.
Als links dit affect volledig delegeert aan rechts, verliest het simpelweg. Dat is niet zozeer een morele observatie als wel een historische. De Amerikaanse Communistische Partij onder William Z. Foster begreep dat nationale symbolen en geschiedenissen konden worden ingezet om arbeiders tot een socialistisch bewustzijn te brengen [12]. De posities die daar tegenin gingen werden in de praktijk irrelevant.
In Nederland speelt hetzelfde. Een deel van links reageert op elk pleidooi voor nationale zelfstandigheid met de reflex dat het gevaarlijk neigt naar rechts populisme. Het gevolg is dat mensen die zich zorgen maken over bijvoorbeeld de afhankelijkheid van Amerikaanse tech, de fragiliteit van voedselketens, of de erosie van de Nederlandse industrie, geen socialistisch vocabulaire vinden voor hun onbehagen. Ze vinden wel een rechts vocabulaire.
Het is dus in strategisch opzicht destructief om het patriottisme volledig op te geven. Maar het is ook theoretisch onjuist, want de socialistische traditie bevat een uitgesproken pleidooi voor nationale zelfstandigheid, juist in dialectische spanning met internationalisme. Dat pleidooi wordt hieronder verder uitgewerkt.
Hierbij past een kanttekening. Er zijn serieuze linkse critici, zoals Danny Haiphong, die juist vanuit een marxistisch perspectief waarschuwen tegen proletarisch patriottisme in imperialistische kernlanden. Hun argument is dat de arbeidersklasse in landen als de VS of Nederland deelt in de buit van imperialisme, en dat een patriottische oriëntatie daar onvermijdelijk chauvinistisch wordt. Dat is een legitieme positie en verdient een zorgvuldige behandeling in een eigen artikel. Hier volstaat de constatering dat een volledige afwijzing van elke patriottische band in de praktijk geen progressief alternatief heeft opgeleverd en in plaats daarvan de arbeidersklasse aan rechts heeft overgedragen.
VII. Zelfstandigheid als socialistisch-patriottisch argument
Het sterkste hedendaagse argument voor socialistisch patriottisme in Nederland is niet cultureel maar materieel. Het draait om de vraag: van wie is Nederland afhankelijk, en is die afhankelijkheid in het belang van de Nederlandse arbeidersklasse? Onder het neoliberale globaliseringsparadigma, dat vanaf de jaren tachtig dominant werd, is Nederland onderdeel geworden van een Atlantische orde waarin de Verenigde Staten de bovenliggende partij zijn. Die positie wordt door de mainstream gepresenteerd als zonder alternatief, maar zij is geen natuurfeit. Zij is het resultaat van beleidskeuzes.
De cijfers zijn helder. Europese bedrijven besteden jaarlijks circa 264 miljard euro aan Amerikaanse cloud- en softwarediensten [13], en 74 procent van de beursgenoteerde Europese bedrijven is afhankelijk van Amerikaanse diensten [14]. Onder de Amerikaanse Cloud Act kan Washington in bepaalde omstandigheden toegang eisen tot data van Amerikaanse bedrijven, ongeacht waar die data is opgeslagen. Nederlandse ziekenhuizen, gemeenten en zelfs delen van de rijksoverheid draaien dus op infrastructuur waarover een buitenlandse mogendheid jurisdictie claimt [15]. Daarbovenop kwamen vanaf april 2025 de Trump-importheffingen, die de Nederlandse machinebouw, chemische industrie en olie-industrie direct raken [16]. In het Kamerdebat van 22 april 2025 stelde de CDA-fractie ronduit dat de Verenigde Staten geen betrouwbare partner meer zijn [17]. Ook de Nexperia-casus, waarbij het kabinet onder Amerikaanse druk de Chinese eigenaar uit de Nijmeegse chipsfabrikant zette, illustreert hoe weinig autonoom Nederland daadwerkelijk is [18].
De oorlog die de Verenigde Staten en Israël op 28 februari 2026 tegen Iran begonnen, maakte deze afhankelijkheid pijnlijk voelbaar. Binnen enkele uren steeg de olieprijs met dertien procent, de grootste dagstijging in vier jaar [19]. De scheepvaart door de Straat van Hormuz viel vrijwel stil, en bij aanvallen op de Qatarese LNG-hub bij Ras Laffan werd zeventien procent van de Qatarese exportcapaciteit voor jaren uitgeschakeld [20]. Voor Nederland verdubbelde de Europese gasprijs in enkele weken [21]. Aan de pomp betaalde de gemiddelde automobilist één tot twee tientjes extra per volle tank [22], transportbedrijven moesten omvaren via Kaap de Goede Hoop [23], en voor lage-inkomenshuishoudens komt de energiequote in de zwaardere DNB-scenario’s opnieuw richting vijf procent. Een Nederlandse huiseigenaar die zijn energiecontract in maart 2026 verlengde, betaalde zo de prijs voor een oorlog die hij niet gekozen had en waarover zijn regering niets te zeggen had. Een land dat niet kan bepalen wanneer het in oorlog is en wanneer niet, is geen soeverein land.
De afhankelijkheid wordt nergens zo absurd zichtbaar als bij defensie. Volgens de Financial Times haalde Nederland in de jaren 2020–2024 meer dan negentig procent van zijn defensiematerieel uit de Verenigde Staten — alleen Montenegro was nog afhankelijker [24]. De F-35 is het paradepaardje van die constellatie: 46 toestellen, de duurste wapenaanschaf in de Nederlandse geschiedenis, draaiend op software die uitsluitend in Amerikaanse handen is. Zonder Amerikaanse medewerking, zo verklaarde militair-historicus Christ Klep, kan de F-35 “bij het schroot” [25]. Denemarken, Portugal en Canada kijken inmiddels openlijk naar Europese alternatieven, terwijl de Nederlandse staatssecretaris van Defensie tegen alle expert-evidentie in volhoudt dat Nederland “volledige operationele soevereiniteit” heeft [26].
Tegen deze achtergrond moet de NAVO-defensienorm van 5 procent bbp worden begrepen. Volgens het Economisch Statistische Berichten dient die verhoging “nu vooral de Amerikaanse handelsbelangen” [27]. De redenering is eenvoudig: het Russische defensiebudget rechtvaardigt geen verdubbeling, de Europese defensie-industrie draait al op volle capaciteit, en extra budget kan op korte termijn dus alleen bij Amerikaanse fabrikanten als Lockheed Martin, Raytheon, Boeing en General Atomics terecht. Wat als “veiligheid” wordt verkocht, is in de praktijk een subsidie van de Nederlandse belastingbetaler aan de Amerikaanse wapenindustrie. De Nederlandse arbeidersklasse betaalt zo tweemaal: via de belasting voor de wapens, en aan de pomp voor de oorlogen waarin diezelfde wapens worden ingezet. De enige die erop vooruit gaat is het Amerikaanse grootkapitaal. Dit staat haaks op de materiële belangen van Nederland zelf.
Dit alles zijn geen exclusief linkse observaties. De bronnen variëren van het CBS tot ABN AMRO, van DNB en het CDA tot Follow the Money en het ESB. Het besef dat Europa digitaal, economisch en militair te afhankelijk is van de VS, is breed gedragen. De ruimte om daar iets aan te doen wordt echter smal gehouden door een politieke consensus die elk pleidooi voor daadwerkelijke zelfstandigheid afdoet als onrealistisch.
Precies op dit punt kan een socialistisch perspectief iets eigens bijdragen. De marxistisch-leninistische traditie kent een uitgewerkte conceptuele toolbox voor nationale zelfstandigheid. De Koreaanse Juche-filosofie onderscheidt drie dimensies: politieke onafhankelijkheid (chaju), economische zelfstandigheid (charip) en militaire zelfverdediging (chawi) [28]. Kim Il Sung formuleerde het principe bondig: afhankelijkheid van buitenlandse machten is de weg naar nationale ondergang [29]. Belangrijk is wat Juche niet zegt: Kim Jong Il stelde expliciet dat zelfvoorziening niet hetzelfde is als isolatie, en dat nationale onafhankelijkheid niet in strijd is met internationalisme maar er juist de basis van vormt [30]. Het gaat niet om autarkie, maar om de capaciteit van een samenleving om zelf te beslissen over haar voedselvoorziening, energie, digitale infrastructuur en defensie, zonder dat een buitenlandse mogendheid die beslissingen kan afdwingen of ongedaan maken.
Vertaald naar Nederland betekent dit iets heel concreets. Nederland kan niet alles zelf produceren, en een klein land dat dit probeert zou inderdaad verarmen. Maar Nederland kan wél:
- Eigen publieke cloudinfrastructuur opbouwen waarover Nederlandse overheden zelfstandig zeggenschap hebben, in plaats van Microsoft, Amazon en Google. Het vorige kabinet begon met plannen voor een rijkscloud; die plannen moeten doorgezet en versneld worden [31].
- Strategisch industriebeleid voeren op gebieden waar Nederland historisch sterk is: halfgeleiders via ASML, chemische industrie, voedselproductie, waterbouw. Niet om af te schermen, maar om de productiekrachten in handen van een democratische gemeenschap te houden.
- Voedselzekerheid niet volledig overlaten aan een globale markt die in geopolitieke crises snel instabiel wordt.
- Energie-infrastructuur publiek en lokaal verankeren, en niet overlaten aan buitenlandse private partijen.
- Bij defensie overschakelen op Europees geproduceerd materieel, zoals de in Zuid-Duitsland geplande Patriot-productielijn, in plaats van steeds weer terug te grijpen op Amerikaanse wapenfabrikanten.
Dit zijn geen radicale voorstellen. Het zijn precies de dingen die beleidsexperts als Bert Hubert, Francesca Bria en de economen achter het Europese EuroStack-initiatief al jaren bepleiten. Het enige wat een socialistisch patriottisme daaraan toevoegt, is de expliciete erkenning dat nationale zelfstandigheid een klasseproject is: het is in het belang van de Nederlandse arbeidersklasse dat Nederland niet verder wegglijdt in de positie van vazalstaat van een buitenlandse heersende klasse.
VIII. Conclusie
Patriottisme hoeft geen rechtse aangelegenheid te zijn. De marxistisch-leninistische traditie kent een uitgewerkt eigen patriottisme dat zich onderscheidt van burgerlijk nationalisme doordat het loyaliteit aan het volk plaatst boven loyaliteit aan de staat en haar heersende klasse. Dit patriottisme staat in dialectische spanning met, niet in tegenstelling tot, internationale solidariteit. Castro, Kim Il Sung, Ho Chi Minh en Lenin hebben die positie op verschillende manieren uitgewerkt.
Voor Nederland in 2026 biedt dit een concreet aanknopingspunt. De hedendaagse afhankelijkheid van de Verenigde Staten, materieel in digitale infrastructuur en handel, politiek in buitenlands en defensiebeleid, is geen natuurfeit. Het is een politieke constellatie die onder het neoliberale paradigma is gegroeid en die onder Trump haar grenzen laat zien. Een pleidooi voor nationale zelfstandigheid is in die context niet per se rechts, en zeker niet per se reactionair. Het is een noodzaak die juist vanuit een socialistische positie goed verdedigbaar is.
Dat vraagt van links wel iets: de bereidheid om het woord “patriottisme” niet langer louter met afgrijzen uit te spreken, en om het affect dat gewone Nederlanders met hun land hebben serieus te nemen in plaats van er op neer te kijken. De weigering om dat te doen heeft een halve eeuw lang geen progressieve resultaten opgeleverd. De ruimte die links laat liggen wordt gevuld door anderen, met voorspelbare uitkomst.
De vraag is dus niet of Nederland van iemand zal houden. De vraag is wie dat gevoel gaat vormgeven, en met welk doel.
Bronvermelding
[1] Kayla Popuchet, In Defense of U.S. Proletarian Patriotism: A Comradely Response to Danny Haiphong’s “Marxist” Polemic on Patriotic Socialism, Midwestern Marx, 5 december 2021, geraadpleegd via: https://www.midwesternmarx.com/articles/in-defense-of-us-proletarian-patriotism-a-comradely-response-to-danny-haiphongs-marxist-polemic-on-patriotic-socialism-by-kayla-popuchet
[2] V.I. Lenin, On the National Pride of the Great Russians, 1914, geraadpleegd via: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1914/dec/12a.htm
[3] Fidel Castro, toespraak 17 december 1976, geraadpleegd via: http://www.cuba.cu/gobierno/discursos/1976/esp/f021276e.html
[4] Kim Il Sung, Talks to the Editor-in-Chief of the Peruvian Newspaper Expreso, 1974
[5] Edward Liger Smith, On American Patriotism, Midwestern Marx, 10 augustus 2020, geraadpleegd via: https://www.midwesternmarx.com/articles/on-american-patriotism-by-edward-liger-smith
[6] James Connolly, Labour in Irish History, 1910
[7] V.I. Lenin, The Discussion of Self-Determination Summed Up, 1916, waarin hij de Paasopstand analyseert, geraadpleegd via: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1916/jul/x01.htm
[8] Antonio Gramsci, zoals geciteerd in Jacobin, The Reds and the Green, maart 2019, geraadpleegd via: https://jacobin.com/2019/03/ireland-communists-moscow-comintern-connolly-larkin
[9] Communistische Partij van Ierland, officiële website, geraadpleegd via: https://communistparty.ie/
[10] Sean Murray, algemeen secretaris CPI 1933–1941, zoals geciteerd door Michael O’Riordan in het obituarium in An Phoblacht, geraadpleegd via: https://www.anphoblacht.com/contents/15275
[11] Michael O’Riordan, Connolly Column: The Story of the Irishmen who fought for the Spanish Republic, 1936–1939, New Books, 1979 (herdruk 2005). Zie ook Wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/Michael_O%27Riordan
[12] Paul Costello, Anti-Revisionist Communism in the United States, 1945-1950, Theoretical Review, 1979, geraadpleegd via: https://www.marxists.org/history/erol/1946-1956/costello01.htm
[13] Computable, Zo ontzettend veel besteedt Europa aan Amerikaanse cloudreuzen, juli 2025, geraadpleegd via: https://computable.nl/e-magazine/editie-05-2025/pagina-04-zo-ontzettend-veel-besteedt-europa-aan-amerikaanse-cloudreuzen/
[14] Dutch IT Leaders, EU kan niet zonder Amerikaanse tech, 11 februari 2026, geraadpleegd via: https://www.dutchitleaders.nl/news/724565/eu-lidstaten-afscheid-van-amerikaanse-tech-is-onrealistisch
[15] SolidBE, Waarom Europa haar digitale soevereiniteit niet kan outsourcen aan Amerikaanse techgiganten, 28 januari 2026, geraadpleegd via: https://solidbe.nl/blog/artikelen/waarom-europa-haar-digitale-soevereiniteit-niet-kan-outsourcen-aan-amerikaanse-techgiganten/
[16] Centraal Bureau voor de Statistiek, Trumps eerste handelsoorlog en de Nederlandse toeleveringsketen, Internationaliseringsmonitor 2025-II, geraadpleegd via: https://longreads.cbs.nl/im2025-2/trumps-eerste-handelsoorlog-en-de-nederlandse-toeleveringsketen/
[17] Tweede Kamer der Staten-Generaal, Trumps importtarieven voor de Europese Unie, debatverslag 22 april 2025, geraadpleegd via: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/kamer_in_het_kort/trumps-importtarieven-voor-de-europese-unie
[18] Financial Focus ABN AMRO, Tussen twee reuzen – Europa’s lange weg naar digitale zelfstandigheid, december 2025, geraadpleegd via: https://financialfocus.abnamro.nl/actueel/tussen-twee-reuzen-europas-lange-weg-naar-digitale-zelfstandigheid/
[19] VRT NWS, Wat betekent de oorlog in Iran voor de olie- en gasprijzen, economie en beurzen?, 2 maart 2026, geraadpleegd via: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2026/03/02/wat-betekent-de-oorlog-in-iran-voor-de-olieprijs-de-economie-en/
[20] Rabobank, Effecten van de oorlog in het Midden-Oosten op de Nederlandse economie: update eind maart 2026, geraadpleegd via: https://www.rabobank.nl/kennis/d011519791-effecten-van-de-oorlog-in-het-midden-oosten-op-de-nederlandse-economie-update-eind-maart-2026
[21] De Nederlandsche Bank, Oorlog in het Midden-Oosten: impact op de Nederlandse economie, april 2026, geraadpleegd via: https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/nieuws-2026/oorlog-in-het-midden-oosten-impact-op-de-nederlandse-economie/
[22] EW Magazine, Van hogere energieprijzen tot stagflatie: de Iran-oorlog raakt de economie steeds harder, maart 2026, geraadpleegd via: https://www.ewmagazine.nl/economie/achtergrond/2026/03/oorlog-midden-oosten-hogere-benzineprijzen-inflatie-nederland-1550318/
[23] Kamer van Koophandel, Oorlog in Iran: dit zijn de gevolgen voor ondernemers, april 2026, geraadpleegd via: https://www.kvk.nl/runnen-en-groeien/oorlog-in-iran-dit-zijn-de-gevolgen-voor-ondernemers/
[24] Financial Times, zoals geciteerd in ESB, juni 2025 (Nederland >90% defensiematerieel uit de VS, 2020–2024)
[25] Follow the Money, Onze krijgsmacht is vleugellam zonder de Amerikaanse wapenindustrie, april 2025, geraadpleegd via: https://www.ftm.nl/artikelen/krijgsmacht-vleugellam-zonder-amerikanen
[26] De Correspondent, Europa blijft voorlopig afhankelijk van Amerikaanse wapens – en dat is niet zonder risico, april 2025, geraadpleegd via: https://decorrespondent.nl/16012/europa-blijft-voorlopig-afhankelijk-van-amerikaanse-wapens-en-dat-is-niet-zonder-risico/
[27] Economisch Statistische Berichten (ESB), Vijf procent aan defensie uitgeven dient nu vooral de Amerikaanse handelsbelangen, juni 2025, geraadpleegd via: https://esb.nu/vijf-procent-aan-defensie-uitgeven-dient-nu-vooral-de-amerikaanse-handelsbelangen/
[28] Britannica, Juche, geraadpleegd via: https://www.britannica.com/topic/Juche
[29] Kim Il Sung, geciteerd in Kim Il Sung Aphorisms, DPR Korea, Juche 108 (2019), geraadpleegd via: https://www.bannedthought.net/Korea-DPRK/KimIlSung/KimIlSung-Aphorisms-2019.pdf
[30] Kim Jong Il, On the Juche Idea, 1982
[31] De Correspondent, Loskomen van Amerikaanse tech, hoe doe je dat?, januari 2026, geraadpleegd via: https://decorrespondent.nl/16685/loskomen-van-amerikaanse-tech-hoe-doe-je-dat/c610825a-c944-042e-07f8-bb383da2e1ad