Een andere kijk op patriottisme
Over socialistische liefde voor land en volk
Publicatie: 17 mei 2026
I. Inleiding
Onder socialisten in het Westen bestaat een soort aversie tegen alles wat naar patriottisme ruikt. Die aversie is aan de ene kant begrijpelijk. Patriottische symboliek wordt in Nederland en andere Westerse landen vooral geassocieerd met rechts. Bijvoorbeeld met Forum voor Democratie, PVV en JA21, waar vlagvertoon samengaat met retoriek die haaks staat op links. Of historisch met de NSB en hun "volk en vaderland" blad, wat ironisch genoeg de laffe overgave van Nederland aan een ander bewind verheerlijkte. Links heeft bij het woord “vaderland” vooral de associatie met nationalistisch geweld, een koloniaal verleden, en hedendaagse uitsluiting.
Het is daarom vrij logisch dat een deel van links patriottisme volledig afwijst en in plaats daarvan een positie inneemt die door sommige schrijvers national nihilism wordt genoemd. Elke positieve kijk of band met het eigen land wordt verdacht gemaakt. De Nederlandse geschiedenis bestaat dan uitsluitend uit VOC-geweld, kolonialisme, en de medewerking aan de Jodenvervolging. Positieve geschiedenis en Nederlandse trots die óók bij ons land hoort, zoals de arbeidersbeweging, de strijd tegen fascisme, de vakbonden, Henk Sneevliet, de Februaristaking of de Spoorwegstaking, wordt weggewuifd.
Met dit artikel wil ik duidelijk maken dat het communisme een eigen, uitgesproken patriottisch karakter heeft, en dat het juist strategisch onverstandig is om patriottisme volledig aan rechts over te laten. Daarnaast bestaat er een concreet hedendaags argument voor patriottisme dat ook niet-communistische voorstanders heeft, namelijk het pleidooi voor zelfstandigheid tegenover de Amerikaanse hegemonie.
II. Patriottisme versus nationalisme
Het eerste probleem in deze discussie is een definitieprobleem. Tegenwoordig worden patriottisme en nationalisme met elkaar verward of bewust gemengd. Socialisten nemen die vermenging vaak klakkeloos over, en wijzen vervolgens beide tegelijk af.
Er is echter een zinvol onderscheid. Patriottisme is de loyaliteit aan een volk, een gemeenschap en een gedeeld bestaan. Nationalisme is een loyaliteit aan de staat en, in zijn burgerlijke vorm, aan de heersende klasse die die staat beheert. Nationalisme gaat ook verder dan de liefde voor land en volk, en gaat uit van een superioriteit van het eigen over de ander. Wie aan Nederland denkt als een lappendeken van mensen die samen wonen en werken, die een taal delen en een geschiedenis, en daar trots op is, denkt eerder aan patriottisme. Wie Nederland identificeert met inheemse witte mensen die worden omgevolkt door een inferieur ras, met een ondemocratische monarchie die niet bevraagd, bespot, of uitgescholden mag worden, met het militaire apparaat dat op het wereldtoneel maar eens democratie komt brengen, bedrijft nationalisme.
De Amerikaanse auteur Kayla Popuchet wijst er terecht op dat het burgerlijke nationalisme precies doet alsof het patriottisme is: het vraagt loyaliteit aan de troepen, aan de vlag, aan de politie. Maar nooit aan je buren, je collega’s of je klasse [1]. In Nederland zien we een vergelijkbaar patroon: de oranjekoorts rond Koningsdag heeft niets te maken met solidariteit met gewone Nederlanders, en alles met het in stand houden van een instituut waarvan een vermogende klasse profiteert.
Het onderscheid tussen patriottisme en nationalisme is niet nieuw en ook niet uitgevonden door hedendaagse linkse Amerikanen. Lenin formuleerde het al in 1914 in zijn artikel Over de nationale trots van de Groot-Russen [2]. Terwijl het Russische rijk onder de Tsaar oorlogen voerde en als “volkerengevangenis” optrad, verklaarde Lenin dat de socialistische arbeiders hun eigen taal en land weldegelijk liefhadden, en dat het hun pijn deed hun land onder de macht van tsaren, adel en kapitalisten te zien. De chauvinistische trots van het regime en de nationale trots van de arbeider zijn twee verschillende dingen.
III. De marxistisch-leninistische traditie is patriottisch
Waar tijdens de Eerste Internationale de kreet “De arbeiders hebben geen vaderland” groot werd, begrepen latere marxisten-leninisten dat dit een halve waarheid was. De arbeidersstrijd gaat inderdaad verder dan de landgrenzen waar je toevallig bent geboren, en onder het kapitalisme hebben de arbeiders inderdaad niet de macht over hun eigen land. Maar juist de socialistische revolutie brengt de arbeiders voor het eerst in de geschiedenis in de positie om het land daadwerkelijk hun land te maken.
Fidel Castro vatte dit in 1976 kort samen:
“Marxism-Leninism is ultimately deeply internationalist and, at the same time, deeply patriotic” [3]
Voor Castro was er geen tegenstrijdigheid tussen solidariteit met de onderdrukte volkeren van Afrika, Azië en Latijns-Amerika, en een onvoorwaardelijke liefde voor Cuba als land. Integendeel. Cubaanse patriotten waren internationalisten juist omdat zij hun eigen volk kenden en liefhadden, en daarom begrepen wat onderdrukking voor een volk betekent.
Kim Il Sung formuleerde iets vergelijkbaars in 1974. Hij stelde dat een echte communist ook de beste patriot is, en dat iemand die zijn land en volk niet liefheeft, geen ware communist kan zijn [4]. Wat hij hiermee bedoelde is dat wie zijn volk niet liefheeft, geen reden heeft om voor socialisme te vechten. Socialisme wil namelijk concreet een betere realiteit bereiken voor het volk. Als je dit wil, dan heb je dat volk inherent lief.
Ho Chi Minh, een van de meest succesvolle marxist-leninisten van de na-oorlogse twintigste eeuw, zag zijn hele strijd tegen het Franse kolonialisme en de Amerikaanse oorlog als een patriottische strijd. De Amerikaanse auteur Edward Liger Smith wijst erop dat anti-koloniale socialistische bewegingen zoals de Viet Minh zich verzamelden rond nationalistische idealen als zelfbeschikking en economische zelfvoorziening [5]. In het Globale Zuiden vond niemand dit controversieel. Waarom zou het in Nederland anders zijn?
IV. Waar Nederland trots op kan zijn
Ook in de Nederlandse arbeidersgeschiedenis is er rijk materiaal. De Februaristaking van 1941, de Spoorwegstaking van september 1944, de communistische betrokkenheid bij het verzet en dekolonisatie, en de vakbondsstrijd voor de achturige werkdag: dit is allemaal Nederlandse geschiedenis, en dit is allemaal progressief. Een socialist die beweert geen band met Nederland te hebben, geeft in de praktijk die geschiedenis weg aan mensen die er historisch gezien nooit deel aan hadden. Dit is een geschiedenis van ons als socialisten, en niet van Forum voor Democratie.
Socialistisch patriottisme heeft inhoud nodig. Het moet concrete dingen kunnen laten zien waar het Nederlandse volk daadwerkelijk een progressieve bijdrage heeft geleverd aan de wereld, los van de koloniale machtsuitoefening die rechts zo graag tot kern van “onze” geschiedenis maakt. Die dingen bestaan, en ze zijn talrijker dan het oranje-boven en VOC-verheerlijking-narratief suggereert.
Ik zal beginnen met de socialistische blik. Zoals hierboven genoemd heeft Nederland een aantal historische socialistische voorbeelden waar we allemaal naar kunnen kijken, ook breder dan het marxisme-leninisme. De Februaristaking van 1941 als enige open massaprotest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa, de Spoorwegstaking, de strijd voor de achturige werkdag, voor algemeen kiesrecht en voor de verzorgingsstaat. Dit is geschiedenis waar iedere socialist trots op kan zijn, en die is opgebouwd op grond die wij dagelijks bewandelen. Ook zijn er Nederlandse personen van verschillende socialistische stromingen die erg belangrijk zijn, ook buiten Nederland. Henk Sneevliet hielp direct bij de oprichting van de communistische partijen van China en van Indonesië. Domela Nieuwenhuis was de eerste socialist in de Tweede Kamer en een uitgesproken anarchist. De stroming van het Radencommunisme heeft belangrijke wortels in Nederland met Anton Pannekoek en Henriëtte Roland Holst. De Nederlandse Marinus van der Lubbe is internationaal bekend om de brandstichting in de Rijksdag. Hannie Schaft, een uitgesproken communist, wordt landelijk geëerd als een van de boegbeelden van het verzet.
Buiten socialisten is er ook genoeg Nederlandse trots te vinden. Begin bij de filosofie en wetenschap. Spinoza, geboren in Amsterdam, schreef een ethiek waarin God en natuur samenvallen, en daarmee een fundament voor seculier denken dat eeuwen vooruitliep op zijn tijd. Erasmus van Rotterdam stond aan het begin van het humanisme. Christiaan Huygens ontdekte de ringen van Saturnus en formuleerde de golftheorie van het licht. Hans Lipperhey vond de telescoop uit, Antonie van Leeuwenhoek de microscoop. Latere Nederlandse uitvindingen omvatten de onderzeeboot, de brandweerslang, de Snellenkaart voor oogtesten, vierwielaandrijving, het cassettebandje, de cd, Wi-Fi en Bluetooth. Veel van wat de moderne wereld op afstand laat communiceren, is in Nederland bedacht.
Op het gebied van de kunst en cultuur is de Nederlandse bijdrage simpelweg onevenredig groot voor zo’n klein land. Hieronymus Bosch, Rembrandt, Vermeer, Van Gogh: vier namen die in elk wereldoverzicht van de schilderkunst voorkomen. De Nachtwacht geldt na de Mona Lisa als een van de meest invloedrijke schilderijen ooit gemaakt.
In de meer recente politieke geschiedenis kunnen we kijken naar concrete progressieve ontwikkelingen waar Nederland koploper was. Nederland was in 2001 het eerste land ter wereld dat het huwelijk openstelde voor stellen van gelijk geslacht. Dat was het resultaat van decennia organisatie, met wereldwijd efftct: Nederland liet zien dat het mogelijk was, met inmiddels meer dan dertig landen die het Nederlandse voorbeeld gevolgd hebben.
Ook de dekolonisatie van Suriname in 1975 verdient nuance, al is dit een gevoelig punt. De Nederlandse koloniale geschiedenis, met haar slavernij in Suriname en op de Antillen en het imperialisme van Nederlands-Indië op Indonesië, is en blijft donker. Dat is iets wat onmogelijk goed te praten is. Wel is er over hoe de overdracht van soevereiniteit aan Suriname verliep wel wat goeds te zeggen. Anders dan in Indonesië, of buiten ons bewind in Algerije, Vietnam of zoveel andere koloniale conflicten van de twintigste eeuw, verliep de Surinaamse onafhankelijkheid zonder oorlog. Dat was te danken aan druk van onderop, zowel in Suriname als in Nederland zelf, waar progressieve bewegingen, vakbonden en zelfs kerken jarenlang strijd en campagne hebben gevoerd tegen het kolonialisme. Op het wereldtoneel is een dekolonisatie zonder grootschalig bloedvergieten echt een uitzondering, en daar mag de Nederlandse arbeidersbeweging die er druk op uitoefende weldegelijk met enige trots en tevredenheid op terugkijken.
Dit overzicht is niet bedoeld als een patriottisch lijstje om mee te pronken, en het maakt de zwarte bladzijden absoluut niet ongedaan. Ik doe vooral mijn best iets anders te illustreren: dat het Nederlandse volk in elke generatie iets heeft voortgebracht dat er werkelijk toe deed. Wie van Nederland houdt zonder het VOC-narratief over te nemen, heeft méér dan genoeg om die liefde mee te voeden.
V. Het Ierse voorbeeld: patriottisme zonder chauvinisme
Geen enkele Westerse linkse traditie heeft het samengaan van socialisme en patriottisme zo consequent uitgewerkt als de Ierse. Ierland is een land dat zijn onafhankelijkheid aan een bevrijdingsstrijd tegen een grote imperialistische buur dankt, en waarin socialisten van begin af aan een belangrijke rol speelden. James Connolly, die in 1896 de Ierse Socialistische Republikeinse Partij oprichtte en in 1916 werd geëxecuteerd na zijn deelname aan de Paasopstand, wist socialisme en nationale zelfbeschikking maar al te goed te combineren. In zijn hoofdwerk Labour in Irish History schreef hij dat de Ierse arbeidersklasse de enige kracht is die de nationale bevrijding werkelijk kan bereiken, en dat nationale bevrijding een voorwaarde is voor socialisme [6].
Lenin zag in de Paasopstand geen burgerlijk-nationalistische opstand maar een klap tegen het Britse imperialisme [7]. Antonio Gramsci noemde de Ierse onafhankelijkheidsstrijders “groene bolsjewieken” [8]. De grote marxisten van hun tijd herkenden het als een concreet moment in de wereldwijde strijd tegen het imperialisme.
Sean Murray, algemeen secretaris van de Communistische Partij van Ierland van 1933 tot 1941, zei tegen socialisten die de “nationale kwestie” als irrelevant of als exclusief burgerlijk wegzette:
“Je mag de nationale kwestie negeren, maar de nationale kwestie zal jou niet negeren” [9]
Deze gedachtegang wordt door Ierse communisten vaak op de volgende manier uitgedrukt: de Russen vochten tegen Hitler voor hun moederland. De Chinezen vochten tegen de Japanse bezetter voor hun land. En de Ierse republikeinen vochten voor Ierland. In alle drie de gevallen was de strijd tegelijkertijd nationaal en internationaal: anti-fascistisch, anti-imperialistisch én klassegebonden. De mensen die deze oorlogen voerden, hielden van hun land. Zij vochten voor concrete gemeenschappen, dorpen, talen en geschiedenissen. Precies dáárdoor werd hun strijd relevant. Belangrijk aan het Ierse patriottisme is ook wat het niet is. Het Ierse socialistisch republicanisme verheerlijkt niet de hele Ierse geschiedenis. Het is kritisch over de reactionaire rol van de katholieke kerk, over de fascistische Blueshirts in de jaren dertig, over sektarische verdeeldheid, en over Ierse kapitalisten die van Britse overheersing en van partitie geprofiteerd hebben.
Dit is misschien wel de belangrijkste vinger aan de pols voor elke socialistische variant van patriottisme. Men houdt van een volk, maar men ontkent niet de misdaden die in naam van dat volk zijn gepleegd. Men koestert de progressieve tradities, maar men verheerlijkt geen koloniale bestuurders, slavenhandelaren of Nazi-collaborateurs. Men waardeert de Nederlandse arbeidersbeweging, maar men liegt niet over de VOC, over slavernij in Suriname en op de Antillen, over politionele Bersiap-acties in Indonesië, of over de willige meehulp aan de Jodenvervolging. Een patriottisme dat de duistere bladzijden van de eigen geschiedenis goedpraat, is reactionair. Wat socialistisch patriottisme wél doet, is die geschiedenis volledig, met licht én schaduw, erkennen als onze geschiedenis, en op basis daarvan bepalen welke tradities voortgezet moeten worden en welke definitief moeten worden gebroken. De Ieren hebben daar ruim een eeuw ervaring mee. Nederland kan daarvan leren.
VI. Zelfstandigheid als socialistisch-patriottisch argument
Wie elke vorm van patriottisme afwijst, heeft een politiek probleem. De arbeidersklasse in Nederland is niet kosmopolitisch in de zin die een deel van links dat wel is. Voor de meeste mensen is de plaats waar ze wonen, de gemeenschap waartoe ze behoren, en de taal die ze spreken, niet iets wat ze afwerpen zodra ze een klassenbewust inzicht krijgen. Ze blijven van hun wijk, hun dorp, hun streek houden. Als links dit affect volledig overhandigt aan rechts, verliest het simpelweg deze groep. Een deel van links reageert op elk pleidooi voor nationale zelfstandigheid met de reflex dat het gevaarlijk neigt naar rechts populisme. Het gevolg is dat mensen die zich zorgen maken over bijvoorbeeld de afhankelijkheid van Amerikaanse tech, de fragiliteit van voedselketens, of de verdwijning van de Nederlandse industrie, geen socialistisch vocabulaire vinden voor hun zorgen. Ze vinden wel een rechts vocabulaire.
Het is dus in strategisch opzicht destructief om het patriottisme volledig op te geven. Daarnaast is het ook nog eens theoretisch onjuist, want de socialistische traditie bevat een roep voor nationale zelfstandigheid.
Het sterkste hedendaagse argument voor socialistisch patriottisme in Nederland is een kwestie die nu al speelt bij veel niet-socialisten, namelijk de kwestie voor onafhankelijkheid en zelfbeschikking met name tegenover de Verenigde Staten. Onder de neoliberale globalisering, die vanaf de jaren tachtig dominant werd, is Nederland onderdeel geworden van een Atlantische orde waarin de Verenigde Staten de overhand hebben. Die positie wordt door de mainstream gepresenteerd als zonder alternatief, maar deze positie is het resultaat van beleidskeuzes, wat betekent dat een andere positie ook mogelijk is met andere keuzes.
De cijfers zijn helder. Europese bedrijven besteden jaarlijks circa 264 miljard euro aan Amerikaanse cloud- en softwarediensten [10], en 74 procent van de beursgenoteerde Europese bedrijven is afhankelijk van Amerikaanse diensten [11]. Onder de Amerikaanse Cloud Act kan Washington in bepaalde omstandigheden toegang eisen tot data van Amerikaanse bedrijven, ongeacht wiens data erin is opgeslagen of waar die data is opgeslagen. Nederlandse ziekenhuizen, gemeenten en zelfs delen van de Rijksoverheid draaien dus op infrastructuur waarover een ander land jurisdictie claimt [12]. Daarbovenop kwamen vanaf april 2025 de Trump-importheffingen, die de Nederlandse machinebouw, chemische industrie en olie-industrie direct raakten [13]. Ook de Nexperia-casus, waarbij het kabinet onder Amerikaanse druk de Chinese eigenaar uit de Nijmeegse chipsfabrikant zette [14], laat duidelijk zien hoe weinig autonomie Nederland daadwerkelijk heeft.
De oorlog die de Verenigde Staten en Israël op 28 februari 2026 tegen Iran begonnen, maakte deze afhankelijkheid opnieuw pijnlijk voelbaar. Binnen enkele uren steeg de olieprijs met 13%, de grootste dagstijging in vier jaar [15]. Voor Nederland verdubbelde de Europese gasprijs in enkele weken [16]. Aan de pomp betaalde de gemiddelde automobilist één tot twee tientjes extra per volle tank [17], transportbedrijven moesten omvaren via Kaap de Goede Hoop omdat de Straat van Hormuz dicht lag als gevolg van het Amerikaanse imperialistische wanbeleid [18], en voor lage-inkomenshuishoudens kwam de energiequote opnieuw richting de 5%. Een Nederlandse huiseigenaar die zijn energiecontract in maart 2026 verlengde, betaalde zo de prijs voor een oorlog die hij niet gekozen had en waarover zijn regering niets te zeggen had. Een land dat niet kan bepalen wanneer het in oorlog is en wanneer niet, is geen soeverein land.
De afhankelijkheid wordt nergens zo absurd zichtbaar als bij defensie. Volgens de Financial Times haalde Nederland in de jaren 2020–2024 meer dan negentig procent van zijn defensiematerieel uit de Verenigde Staten. Wereldwijd is alleen Montenegro nog afhankelijker [19], anders waren wij het meest afhankelijke land ter wereld geweest. Nederland heeft 46 F-35 toestellen in deze periode aangeschaft, de duurste wapenaanschaf in de Nederlandse geschiedenis, draaiend op software die uitsluitend in Amerikaanse handen is. Zonder Amerikaanse medewerking, zo verklaarde militair-historicus Christ Klep, kan de F-35 “bij het schroot” [20]. Denemarken, Portugal en Canada kijken inmiddels openlijk naar Europese alternatieven, terwijl de Nederlandse staatssecretaris van Defensie volhoudt dat Nederland “volledige operationele soevereiniteit” heeft [21]. Tegen deze achtergrond moet de NAVO-defensienorm van 5 procent bbp worden begrepen. Volgens het Economisch Statistische Berichten dient die verhoging “nu vooral de Amerikaanse handelsbelangen” [22]. De Nederlandse arbeidersklasse betaalt zo tweemaal: via de belasting voor de wapens, en aan de pomp voor de oorlogen waarin diezelfde wapens worden ingezet. De enige die erop vooruit gaat is het Amerikaanse grootkapitaal. Dit staat haaks op de materiële belangen van Nederland zelf.
Dit alles zijn geen exclusief linkse observaties. In het Kamerdebat van 22 april 2025 stelde de CDA-fractie dat de Verenigde Staten geen betrouwbare partner meer zijn [23]. De bovenstaande bronnen gaan van het CBS tot ABN AMRO, van DNB tot Follow the Money en het ESB. Het besef dat Europa digitaal, economisch en militair te afhankelijk is van de VS, is breed gedragen. De ruimte om daar iets aan te doen wordt echter smal gehouden door een politieke consensus die elk pleidooi voor daadwerkelijke zelfstandigheid afdoet als onrealistisch.
Precies op dit punt kan een socialistisch perspectief iets eigens bijdragen. De marxistisch-leninistische tendens heeft een uitgewerkte traditie voor nationale zelfstandigheid. De Koreaanse Juche-filosofie schrijft hier het meest over in een voorbeeld dat tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat. Alle geldige kritiek die er over de Koreaanse Democratische Volksrepubliek te zeggen is, is voor deze discussie niet relevant. Het Juche-ideaal beschrijft drie dimensies: politieke onafhankelijkheid (chaju), economische zelfstandigheid (charip) en militaire zelfverdediging (chawi) [24]. Kim Il Sung formuleerde het principe bondig: afhankelijkheid van buitenlandse machten is de weg naar nationale ondergang [25]. Belangrijk is, net als bij het Ierse voorbeeld van paragraaf V, wat Juche niet zegt: Kim Jong Il stelde expliciet dat nationale onafhankelijkheid niet in strijd is met internationalisme maar er juist de basis van vormt [26]. Het gaat om de capaciteit van een samenleving om zelf te beslissen over haar voedselvoorziening, energie, digitale infrastructuur en defensie, zonder dat een buitenlandse macht die beslissingen kan afdwingen of ongedaan maken. Vertaald naar Nederland is dit ook toepasbaar. Nederland kan niet alles zelf produceren, en een klein land dat dit probeert zou inderdaad verarmen. Nederland kan wel deze houding overnemen tot in de mogelijkheden die wij wel hebben. Als land hebben we de mogelijkheden om een eigen cloudinfrastructuur op te bouwen om niet meer afhankelijk te zijn van Microsoft, Amazon, en Google. Strategisch industriebeleid is te voeren op gebieden waar Nederland historisch sterk is, zoals ASML, waterbouw, en voedselproductie. Voedselzekerheid die niet afhankelijk is van een globale markt is in Nederland heel goed mogelijk. Ook kunnen we een energie-infrastructuur lokaal en landelijk opbouwen en dat niet overlaten aan buitenlandse private partijen.
Dit zijn geen radicale voorstellen. Dit zijn voorstellen die we vandaag de dag al in gang kunnen stellen. Het zijn precies de dingen die beleidsexperts als Bert Hubert, Francesca Bria en de economen achter het Europese EuroStack-initiatief al jaren bepleiten. Het enige wat een socialistisch patriottisme daaraan toevoegt, is de expliciete erkenning dat nationale zelfstandigheid een klasseproject is: het is in het belang van de Nederlandse arbeidersklasse dat Nederland niet verder wegglijdt in de positie van vazalstaat van de Amerikaanse heersende klasse.
VII. Conclusie
Patriottisme hoeft geen chauvinistische of reactionaire aangelegenheid te zijn. Het socialisme kent een uitgewerkt eigen patriottisme dat zich onderscheidt van burgerlijk nationalisme doordat het loyaliteit aan het volk plaatst boven loyaliteit aan de staat en boven geschiedenisverheerlijking. Een patriottisme dat samen staat met internationale solidariteit. Lenin, Castro, Kim Il Sung, Ho Chi Minh, en Connolly hebben die positie op verschillende manieren al uitgewerkt.
Voor Nederland in 2026 zijn er al aanknopingspunten. De hedendaagse afhankelijkheid van de Verenigde Staten, materieel in digitale infrastructuur en handel, politiek in buitenlands en defensiebeleid, is geen natuurfeit. Een pleidooi voor nationale zelfstandigheid is in die context niet per se rechts, en zeker niet per se reactionair. Het is een noodzaak die juist vanuit een socialistische positie goed verdedigbaar is.
Dat vraagt van links wel iets: de bereidheid om het woord “patriottisme” uit te spreken, en om de liefde met land en volk die gewone Nederlanders hebben serieus te nemen in plaats van er op neer te kijken. Het weigeren om dat te doen heeft een halve eeuw lang geen progressieve resultaten opgeleverd. De ruimte die links laat liggen wordt gevuld door anderen, met voorspelbare uitkomst. Breek daarmee, en het liefst vandaag nog, want ook wij zijn Nederland.
Bronvermelding
[1] Kayla Popuchet, In Defense of U.S. Proletarian Patriotism: A Comradely Response to Danny Haiphong’s “Marxist” Polemic on Patriotic Socialism, Midwestern Marx, 5 december 2021, geraadpleegd via: https://www.midwesternmarx.com/articles/in-defense-of-us-proletarian-patriotism-a-comradely-response-to-danny-haiphongs-marxist-polemic-on-patriotic-socialism-by-kayla-popuchet
[2] V.I. Lenin, On the National Pride of the Great Russians, 1914, geraadpleegd via: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1914/dec/12a.htm
[3] Fidel Castro, toespraak 17 december 1976, geraadpleegd via: http://www.cuba.cu/gobierno/discursos/1976/esp/f021276e.html
[4] Kim Il Sung, Talks to the Editor-in-Chief of the Peruvian Newspaper Expreso, 1974
[5] Edward Liger Smith, On American Patriotism, Midwestern Marx, 10 augustus 2020, geraadpleegd via: https://www.midwesternmarx.com/articles/on-american-patriotism-by-edward-liger-smith
[6] James Connolly, Labour in Irish History, 1910
[7] V.I. Lenin, The Discussion of Self-Determination Summed Up, 1916, waarin hij de Paasopstand analyseert, geraadpleegd via: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1916/jul/x01.htm
[8] Antonio Gramsci, zoals geciteerd in Jacobin, The Reds and the Green, maart 2019, geraadpleegd via: https://jacobin.com/2019/03/ireland-communists-moscow-comintern-connolly-larkin
[9] Sean Murray, algemeen secretaris CPI 1933–1941, zoals geciteerd door Michael O’Riordan in het obituarium in An Phoblacht, geraadpleegd via: https://www.anphoblacht.com/contents/15275
[10] Computable, Zo ontzettend veel besteedt Europa aan Amerikaanse cloudreuzen, juli 2025, geraadpleegd via: https://computable.nl/e-magazine/editie-05-2025/pagina-04-zo-ontzettend-veel-besteedt-europa-aan-amerikaanse-cloudreuzen/
[11] Dutch IT Leaders, EU kan niet zonder Amerikaanse tech, 11 februari 2026, geraadpleegd via: https://www.dutchitleaders.nl/news/724565/eu-lidstaten-afscheid-van-amerikaanse-tech-is-onrealistisch
[12] SolidBE, Waarom Europa haar digitale soevereiniteit niet kan outsourcen aan Amerikaanse techgiganten, 28 januari 2026, geraadpleegd via: https://solidbe.nl/blog/artikelen/waarom-europa-haar-digitale-soevereiniteit-niet-kan-outsourcen-aan-amerikaanse-techgiganten/
[13] Centraal Bureau voor de Statistiek, Trumps eerste handelsoorlog en de Nederlandse toeleveringsketen, Internationaliseringsmonitor 2025-II, geraadpleegd via: https://longreads.cbs.nl/im2025-2/trumps-eerste-handelsoorlog-en-de-nederlandse-toeleveringsketen/
[14] Financial Focus ABN AMRO, Tussen twee reuzen – Europa’s lange weg naar digitale zelfstandigheid, december 2025, geraadpleegd via: https://financialfocus.abnamro.nl/actueel/tussen-twee-reuzen-europas-lange-weg-naar-digitale-zelfstandigheid/
[15] VRT NWS, Wat betekent de oorlog in Iran voor de olie- en gasprijzen, economie en beurzen?, 2 maart 2026, geraadpleegd via: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2026/03/02/wat-betekent-de-oorlog-in-iran-voor-de-olieprijs-de-economie-en/
[16] De Nederlandsche Bank, Oorlog in het Midden-Oosten: impact op de Nederlandse economie, april 2026, geraadpleegd via: https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/nieuws-2026/oorlog-in-het-midden-oosten-impact-op-de-nederlandse-economie/
[17] EW Magazine, Van hogere energieprijzen tot stagflatie: de Iran-oorlog raakt de economie steeds harder, maart 2026, geraadpleegd via: https://www.ewmagazine.nl/economie/achtergrond/2026/03/oorlog-midden-oosten-hogere-benzineprijzen-inflatie-nederland-1550318/
[18] Kamer van Koophandel, Oorlog in Iran: dit zijn de gevolgen voor ondernemers, april 2026, geraadpleegd via: https://www.kvk.nl/runnen-en-groeien/oorlog-in-iran-dit-zijn-de-gevolgen-voor-ondernemers/
[19] Financial Times, zoals geciteerd in ESB, juni 2025 (Nederland >90% defensiematerieel uit de VS, 2020–2024)
[20] Follow the Money, Onze krijgsmacht is vleugellam zonder de Amerikaanse wapenindustrie, april 2025, geraadpleegd via: https://www.ftm.nl/artikelen/krijgsmacht-vleugellam-zonder-amerikanen
[21] De Correspondent, Europa blijft voorlopig afhankelijk van Amerikaanse wapens – en dat is niet zonder risico, april 2025, geraadpleegd via: https://decorrespondent.nl/16012/europa-blijft-voorlopig-afhankelijk-van-amerikaanse-wapens-en-dat-is-niet-zonder-risico/
[22] Economisch Statistische Berichten (ESB), Vijf procent aan defensie uitgeven dient nu vooral de Amerikaanse handelsbelangen, juni 2025, geraadpleegd via: https://esb.nu/vijf-procent-aan-defensie-uitgeven-dient-nu-vooral-de-amerikaanse-handelsbelangen/
[23] Tweede Kamer der Staten-Generaal, Trumps importtarieven voor de Europese Unie, debatverslag 22 april 2025, geraadpleegd via: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/kamer_in_het_kort/trumps-importtarieven-voor-de-europese-unie
[24] Britannica, Juche, geraadpleegd via: https://www.britannica.com/topic/Juche
[25] Kim Il Sung, geciteerd in Kim Il Sung Aphorisms, DPR Korea, Juche 108 (2019), geraadpleegd via: https://www.bannedthought.net/Korea-DPRK/KimIlSung/KimIlSung-Aphorisms-2019.pdf
[26] Kim Jong Il, On the Juche Idea, 1982